Het ene onderduikadres was veiliger en comfortabeler dan het ander. Maar zekerheid was er nooit. Verraad lag altijd op de loer. Dat ondervond bijvoorbeeld het gezin Frank, bekend door dochter Anne Frank, die tijdens de onderduik een later wereldberoemd geworden dagboek bijhield. In andere gevallen leek een onderduikadres veilig, maar bleken de onderduikgevers samen te werken met de Duitsers. Duizenden Joden werden op deze wijze verraden. In totaal zijn er meer dan honderdduizend Nederlandse Joden in minder dan twee jaar tijd vermoord. In Amsterdam bevond zich de meest omvangrijke Joodse gemeenschap van Nederland. Voor de oorlog was 10 procent van de Amsterdammers Joods. Slechts een kwart hiervan overleefde de vervolging.
Tot die overlevenden behoren Milo Anstadt (1920) en Lidy Dallinga - Bleiberg (1920). Aan het begin van de oorlog traden zij in het huwelijk en in maart 1942 kregen zij een dochtertje, Irka. Gedurende de eerste oorlogsjaren waren zij nog niet in het bezit van valse persoonsbewijzen. Als ze in die periode aangehouden werden, waren ze hun leven niet zeker. Voor de oorlog was het echtpaar via de Oost-Joodse emigrantenvereniging Anski in aanraking gekomen met de communistische ideologie. Anski was na de Eerste Wereldoorlog opgericht, en bestond vooral uit sociaaldemocraten, communisten en anarchisten. Dankzij contacten binnen Anski kon hun dochtertje worden ondergebracht bij een pleeggezin in Beverwijk. Ook Milo en Lidy konden via de hulp van deze beweging onderduiken. In de loop van de oorlog begonnen zij echter steeds meer te twijfelen aan de communistische ideologie. Toen de Duitse Communistische Partij hiervan op de hoogte raakte bezocht een belangrijk figuur binnen de partij het echtpaar, om te informeren of zij daadwerkelijk afstand hadden genomen van de ideologie. Milo Anstadt bevestigde dit en vanaf dat moment hebben Milo en Lidy nooit meer iets van de partij vernomen.
Ze zochten contact met een Nederlandse verzetsorganisatie. Vanaf dat moment brak er voor Milo en Lidy een nieuwe fase aan. De onderduikadressen die ze via deze organisatie aangewezen kregen bleken een stuk aangenamer dan de adressen die ze via de communistische verzetsorganisatie verkregen hadden. In de winter van 1943 zaten Milo en Lidy ondergedoken in een pand aan de Prinsengracht. De sfeer was ontspannen en dit werd versterkt door het feit dat Milo en Lidy eindelijk in het bezit waren van goed vervalste persoonsbewijzen. Zo konden ze zich af en toe op straat bewegen zonder vogelvrij te zijn. Begin 1944 begon de eigenaar van het pand echter zenuwachtig te worden. Hij vreesde alsnog ontdekt of verraden te worden. Milo en Lidy konden niet langer blijven.
Zij besloten de stoute schoenen aan te trekken en op zoek te gaan naar een geschikte huurwoning. Hun zoektocht begon in de voormalige Jodenbuurt, aangezien hier veel huizen leeg stonden. Al snel vonden zij een pand aan de Plantage Muidergracht, nummer 89. Aan de buitenkant van het pand hing een bordje met de tekst: %u2018Huis te huur bij Petrus van Bruggen', een bekende NSB'er. Mede op advies van vrienden besloot Lidy alleen bij de eigenaar langs te gaan, omdat zij er minder Joods uitzag dan haar echtgenoot. En zo gebeurde het dat Lidy, onder het portret van Mussert, het huurcontract tekende. Een week later nam het echtpaar zijn intrek in de woning. Een jaar later, op 8 mei 1945, vierden zij samen met enkele andere onderduikers de bevrijding. Ook hun dochtertje had de oorlog overleefd. Het was feest op de Plantage Muidergracht. Het echtpaar bleef hier tot 1959 wonen.
Literatuursuggesties:
Anstadt, Milo, De verdachte oorboog (Amsterdam/Antwerpen 1996).
Frank, Anne, Het Achterhuis. Dagboekbrieven 14 juni 1942 - 1 augustus 1944 (Amsterdam, 1947).
Liempt, Ad van, De Oorlog (Amsterdam 2009).


