Onderwerp
Onderduiken bij Parlevinkers
|
|
|
|
Loading...,
Door |
Gepubliceerd: 1 januari, 1970
Bekeken:
1218
1218
Onderduiken bij Parlevinkers - Fransje van der Rhoer - In het voorjaar van 1943 dook het 19-jarige joodse meisje Fransje van der Rhoer onder bij de familie Dijk. Zij boden haar tot het einde van de oorlog onderdak in hun huis aan de Nieuwe Herengracht, midden in de Amsterdamse %u2018Jodenbuurt'.
Kampen
Fransje van der Rhoer (1924) is geboren en getogen in het Overijsselse Kampen. In de overwegend streng gereformeerde provinciestad dreven haar ouders een handel in textiel. Religie speelde geen belangrijke rol in het gezin Van der Rhoer, ze waren liberaal ingestelde Joden. Fransje had één zus, Vokje, die zes jaar ouder was. In 1935 overleed Fransjes moeder op jonge leeftijd. Toen haar vader begin 1940 ook stierf, bleven de zussen Van der Rhoer als weeskinderen achter. Samen verhuisden ze naar Amsterdam, waar ze bij familie introkken.
De Duitse inval
In de hoofdstad maakte Fransje de inval van het Duitse leger mee. Op haar zolderkamer in de Amsterdamse Rivierenbuurt hoorde ze in de ochtend van 10 mei 1940 de vliegtuigen overkomen. Ze realiseerde zich onmiddellijk dat Nederland in staat van oorlog verkeerde. In de eerste maanden van de bezetting veranderde haar leven niet ingrijpend. Ze kon haar baan bij de HEMA aanvankelijk blijven uitoefenen, tot ze in 1941 vanwege haar Joodse afkomst werd ontslagen.
In de loop van 1941 vaardigde het Duitse bestuur in Nederland steeds meer verordeningen uit die bedoeld waren om de joodse burgers van de rest van de Nederlandse bevolking te isoleren. In februari van dat jaar vond de eerste razzia in Amsterdam plaats. 389 joodse mannen werden opgepakt en naar het Oostenrijkse Mauthausen gedeporteerd. De bezetters presenteerden dit als een vergeldingsactie voor de dood van een Nederlandse WA-man tijdens ongeregeldheden tussen Nederlandse nationaalsocialisten en Joden.
Het Joodsche Weekblad
In de dagen na deze eerste razzia werd op verzoek van de Duitse bezetter de Joodse Raad opgericht. Deze organisatie, gevormd door een twintigtal Joodse notabelen, vertegenwoordigde de Joodse gemeenschap tegenover het Duitse bestuur. De Joodse Raad werkte samen met de Duitsers, in de hoop negatieve gevolgen voor de Joodse bevolking zoveel mogelijk te kunnen beperken. In de praktijk bleek de raad weinig voor de Nederlandse Joden te kunnen betekenen. Hij fungeerde vooral als doorgeefluik voor de eisen van de Duitse bezetter.
Nadat Fransje van der Rhoer was ontslagen bij de HEMA, vond ze werk bij de Joodse uitgeverij en drukkerij Joachimsthal. Het aan de Jodenbreestraat gevestigde bedrijf verzorgde onder andere de uitgave van het Joodsche Weekblad. Dit was sinds april 1941 het officiële orgaan van de Joodse Raad. Het Joodsche Weekblad was het enige nog toegestane Joodse blad in Nederland, en publiceerde ondermeer alle voor Joden bestemde mededelingen. Zo werden niet-Joodse Nederlanders in hun kranten niet steeds met antisemitische maatregelen geconfronteerd. Het blad paste dus in de strategie van de Duitsers om, ter voorbereiding op deportatie, de Joden van de rest van de Nederlandse bevolking te isoleren. Het Joodsche Weekblad straalde een geest van berusting uit, van verzet was geen sprake. De inhoud van het blad werd vooraf door de Duitsers gecensureerd.
%u2018Bis auf weiteres'
Net als andere Joden mocht Fransje in steeds minder openbare gelegenheden komen, en was ze vanaf mei 1942 op straat herkenbaar aan de gele zespuntige ster die ze verplicht werd op haar bovenkleding te dragen. Fransje voelde zich door al deze anti-Joodse maatregelen steeds onveiliger en kwetsbaarder. Dat onveilige gevoel nam sterk toe toen de Duitse bezetters vanaf juli 1942 begonnen met de georganiseerde deportatie van de Joden naar Westerbork, en van daar uit verder naar het oosten. Vanaf dat moment vonden zeer regelmatig razzia's in Amsterdam plaats.
Om te voorkomen dat Joden zouden worden afgevoerd die %u2018onmisbaar' werden geacht, of die in speciale uitzonderingscategorieën vielen, voerde de Duitse bezetter in september 1942 een vrijstellingssysteem in: de Sperren. Met goedkeuring van de Duitsers kregen in totaal 32.655 personen een speciaal stempel in hun persoonsbewijs. De Joodse Raad mocht het grootste deel, ongeveer 17.500 voorlopige vrijstellingen, naar eigen inzicht verdelen.
Dankzij haar werk bij de uitgeverij van het Joodsche Weekblad kreeg ook Fransje een vrijstellingsstempel in haar persoonsbewijs. Letterlijk stond er in haar pas vermeld: %u2018 Inhaber dieses Ausweises ist bis auf weiteres vom Arbeitseinsatz freigestellt' (Bezitter van dit identiteitsbewijs is tot nadere orde vrijgesteld van arbeidsinzet). Het belang van de stempel bleek bij een inval tijdens een inval in het huis van Fransjes oom en tante, bij wie Fransje destijds woonde. Zij kwam na het tonen van haar stempel met de schrik vrij, terwijl haar familieleden werd meegenomen. Zij zijn allen in een vernietigingskamp om het leven gebracht.
Onderduik
Fransje raakte er steeds meer van doordrongen dat ze niet veilig was. Zo werd ze op een gegeven moment ondanks haar bijzondere status toch opgepakt, en kwam ze in de Hollandsche Schouwburg terecht. De Hollandsche Schouwburg was door de Duitsers omgevormd tot verzamelpunt van Joden, in afwachting van deportatie naar Westerbork. Dankzij een aanwijzing van een kennis van de uitgeverij Joachimsthal wist Fransje ternauwernood uit de Schouwburg te ontsnappen. In het voorjaar van 1943 besloot het naderende onheil niet langer lijdzaam af te wachten. Via een kennis vond ze een onderduikplaats bij de familie Dijk aan de Nieuwe Herengracht 79, midden in de Joodse wijk. Haar zus vond elders in de stad een onderduikplek.
Het echtpaar Dijk, dat hun brood verdiende als parlevinkers in de Amsterdamse haven, had zeven kinderen. De Dijks waren Zevende-dags Adventisten. Deze relatief kleine christelijke stroming heiligt de zaterdag (de zevende dag van de week) als rustdag, en legt veel nadruk op de verwachte wederkomst van Jezus Christus. Handelend vanuit hun christelijke overtuiging, een sterk gevoel van medemenselijkheid en hun afkeer van het Duitse regime bood de familie Dijk Fransje een onderduikplek. Naast Fransje vonden er in de loop van 1943 en 1944 nog drie onderduikers bij hen een schuilplaats: de Joodse heer Blaugrund, het 6-jarige Joodse jongetje Eddy en de niet-Joodse Dick Kraaima, een schoolvriend van een van de zonen Dijk.
Nog afgezien van de spanningen die het verborgen houden van onderduikers onvermijdelijk met zich meebracht, was het zorgen voor genoeg voedsel voor dertien personen een hele opgave. Als parlevinkers hadden de Dijks echter steeds voldoende goederen die ze clandestien tegen voedsel konden ruilen. Fransje draaide zoveel mogelijk mee in het huishouden, en voelde zich als een pleegdochter opgenomen in het gezin. Ondanks de moeilijke omstandigheden deed het gezin er alles aan om hun onderduikers een zo prettig mogelijke tijd te bezorgen. Fransje voelde zich veilig bij de familie Dijk. Samen met alle gezinsleden en de andere onderduikers kon Fransje in mei 1945 de bevrijding vieren. Ook haar zus overleefde de bezetting.
Yad Vashem
Na de oorlog bleef Fransje contact houden met de familie Dijk. Elk jaar bracht ze de familie op Bevrijdingsdag als teken van dank een bloemetje. In 2007 kreeg het echtpaar Dijk op haar initiatief postuum de eretitel van Yad Vashem toegekend, %u2018Rechtvaardigen onder de Volkeren'.
Meest gerelateerde items
Waar informatie beschikbaar voor is
Waar informatie beschikbaar voor is
Organisaties & Instellingen
Gebeurtenissen


