Onderwerp
Onderduiken na de oorlog; Indonesië-weigeraars
|
|
|
|
Loading...,
Door |
Gepubliceerd: 1 januari, 1970
Bekeken:
1746
1746
Onderduiken na de oorlog; Indonesië-weigeraars - Na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 ontstond er in Nederlands-Indië een machtsvacuüm. De Indonesische nationalisten Soekarno en Mohammed Hatta maakten daarvan gebruik en riepen op 17 augustus de Republiek Indonesië uit. Dit was het begin van het einde van drieëneenhalve eeuw Nederlandse koloniale aanwezigheid. Vanaf oktober 1945 braken er gewelddadigheden uit. Tijdens deze zogenaamde Bersiap-periode keerden Indonesische paramilitaire milities zich tegen Indo-Europeanen, Britten, Chinezen, Ambonezen, Nederlanders, maar ook delen van de inheemse bevolking. Dit had een paar duizend doden tot gevolg. Met de zogenaamde ‘politionele acties' wilde Nederland naar eigen zeggen rust en orde herstellen. De acties mondden echter uit in een vier jaar lang durende koloniale oorlog over de vraag wie het in Indonesië voor het zeggen had. Op 27 december 1949 droeg Nederland officieel de soevereiniteit aan Indonesië over. Naar schatting 150.000 Indonesiërs en 5000 Nederlanders waren in de strijd om het leven gekomen.
Tussen 1946 en 1949 ontvingen ongeveer 100.000 dienstplichtige Nederlandse mannen een blauwe oproepkaart. In verschillende divisies vertrokken ze per boot naar Indonesië. Er waren echter zo'n zesduizend mannen die, uit verschillende beweegredenen, niet aan deze oproep gehoor gaven: de Indonesië-weigeraars. De overheid beschouwde hen als deserteurs en dreigde met jarenlange gevangenisstraffen. Om deze straffen te ontlopen, doken veel Indonesië-weigeraars onder. De Marechaussee maakte verwoed jacht op hen. Sommigen weigeraars werden al snel ingerekend, anderen verdwenen jarenlang in de illegaliteit. Vaak sliepen zij op verschillende adressen en werkten zij illegaal bij diverse bedrijven.
De overheid bestempelde de weigeraars als laf: dienstweigering zou enkel voortkomen uit angst om te sterven en uit onwil het ‘veilige nest' te verlaten. In werkelijkheid hadden de weigeraars politieke redenen of motieven van levensbeschouwelijke aard om niet naar Indonesië te willen vertrekken. Onder de weigeraars bevonden zich bijvoorbeeld communisten die net als sommige anderen tegen de Nederlandse aanwezigheid in Indonesië waren en daarom niet tegen mensen wilden vechten die in hun ogen slechts voor hun rechten opkwamen. Andere weigeraars wilden vanuit hun christelijke geloof geen geweld gebruiken. ‘Gij zult niet doden', hadden zij geleerd. Veel mannen hadden na vijf jaar bezetting en oorlog gewoon genoeg van onrust en geweld.
Voor een aantal van hen betekende dienstweigeren voor een tweede maal onderduiken. Ditmaal verborgen zij zich niet voor de Duitse bezetter, maar voor de eigen, Nederlandse staat. Vaak vonden ze een plek bij mensen die ook tijdens de Tweede Wereldoorlog onderduikers hadden geholpen. Het helpen van onderduikers was na 1945 wederom strafbaar. Het optreden van de Marechaussee riep bij sommige mensen nare herinneringen op. Bij ‘razzia's sloot men complete wijken af om verscholen dienstweigeraars in te kunnen rekenen. Bij een demonstratie in Amsterdam tegen de eerste troepenzending naar Indonesië was in 1946 bovendien een demonstrant door een agent van de Marechaussee doodgeschoten.
Na de soevereiniteitsoverdracht ging de Nederlandse overheid door met het berechten van de Indonesië-weigeraars. Tot ver in de jaren vijftig zijn er weigeraars vervolgd en door de krijgsraad veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen. Ze kwamen terecht in strafkampen als Vught, Veenhuizen en Schoonhoven, waar eveneens voormalige SS-ers en NSB-ers gevangen werden gehouden. Veel weigeraars hadden hierdoor het gevoel dat ze aan hen werden gelijkgeschakeld. Na hun vrijlating, was het voor de meeste weigeraars niet gemakkelijk om weer een normaal leven op te bouwen. Velen konden bijvoorbeeld maar moeilijk aan werk komen omdat er in hun paspoort stond dat ze gevangen hadden gezeten Tot op de dag van vandaag pleitten de Indonesië-weigeraars voor rehabilitatie.
Jan van Luyn
Vluchten, onderduiken en de angst om gepakt te worden. Vele jaren tekende dit het leven van de Utrechtenaar Jan van Luyn (1926). In 1944 dook hij als achttienjarige onder om te voorkomen dat hij voor de Duitse bezetter dwangarbeid moest verrichten. Een jaar na de bevrijding dook Van Luyn opnieuw onder. Dit keer verborg hij zich echter voor de eigen, Nederlandse overheid.
In 1946 werd Jan van Luyn als dienstplichtige opgeroepen om de orde in het onrustige Nederlands-Indië te herstellen. Van Luyn wilde vanwege zijn christelijke geloofsovertuiging niet vechten in Indonesië. ‘Gij zult niet doden', had hij immers geleerd. Tijdens zijn inschepingverlof nam hij de benen en vertrok naar Amsterdam. De Nederlandse Bond van Militairen hielp hem aan zijn eerste onderduikadressen in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt.
Later verbleef hij bij een gezin in Amsterdam Noord, in een woning in West, in de timmerwinkel op de NDSM-werf en zelfs een korte periode op het Centraal Station. In totaal heeft Van Luyn in bijna vier jaar tijd op zeven verschillende plaatsen ondergedoken gezeten. Zijn adressen kreeg hij meestal toegespeeld via een contact bij NDSM-werf, zijn illegale werkplek.
Op zijn allereerste adres, bij een communistisch gezin in de Houtrijkstraat, kreeg Van Luyn een relatie met de oudste dochter des huizes, Aafje Oudes. Hij kon aanvankelijk als onderduiker een redelijk normaal bestaan leiden: hij had werk, hij had verkering en hij had veelal een eigen kamer op de adressen waar hij verbleef. Toch was zijn leven niet zo normaal: Jan van Luyn ‘bestond niet'. Als onderduiker kon hij officieel geen werk vinden, geen huis kopen en niet trouwen. Niettemin verloofde Jan zich in 1949 stiekem met Aafje in een vakantiehuisje op de Hilversumse hei. Met zijn eigen familie had Van Luyn jarenlang slechts via brieven contact. De Marechaussee bezocht zijn ouders namelijk wekelijks, in de hoop sporen van Jan aan te treffen. Met andere weigeraars sprak hij amper. Uit angst om gepakt te worden hielden de meesten zich stil. Pas na zijn onderduikperiode hoorde Van Luyn dat er op de NDSM-werf ongeveer tweehonderd weigeraars hadden gewerkt.
Op 7 juni 1950 werd Van Luyn door de Marechaussee ingerekend, toen hij op de fiets op weg was naar zijn werk. Naar eigen zeggen was hij opgelucht dat hij was gepakt. Leven in de anonimiteit was zwaar: drieëneenhalf jaar had hij zich opgejaagd gevoeld. De krijgsraad veroordeelde Van Luyn tot een gevangenisstraf. Na twee jaar en zes maanden komt hij vrij.
Meest gerelateerde items
Waar informatie beschikbaar voor is
Waar informatie beschikbaar voor is
Organisaties & Instellingen
Gebeurtenissen


